Maandelijks archief: maart 2012

Meten van aardlekschakelaars

Een aardlekschakelaar, ook wel verliesstroomschakelaar of differentiaalschakelaar genoemd, is een automatisch werkende schakelaar die een elektrische installatie spanningsloos maakt zodra een lekstroom vanaf een bepaalde grootte optreedt. In huis- en kantoorinstallaties bevinden zich in de groepenkast vaak één of meer aardlekschakelaars.

Doel
Aardlekschakelaars komen met name in huisinstallaties voor. Het doel is bescherming te bieden tegen elektrocutie, en het voorkomen van brand bij optredende lekstromen naar aarde.

Een aardlekschakelaar meet de stroom die een installatie via de fase (de zogenaamde “hete” ofwel de spanningvoerende draad) opneemt, en de hoeveelheid stroom die via de nul (ook wel de “koude” of spanningsloze draad) terug komt. Een eventuele verschilstroom zou theoretisch door de veiligheidsaarde terug moeten lopen, maar bij niet-geaarde toestellen, of aan een niet-geaarde wandcontactdoos aangesloten geaarde toestellen zou een isolatiedefect een levensgevaarlijke stroomdoorgang door een lichaam van een mens of dier ten gevolge kunnen hebben. De aardlekbeveiliging reageert hierop door de stroomtoevoer bij een dergelijk “lek” af te sluiten. Dit gebeurt zo snel (binnen enkele milliseconden) dat degene die het lek veroorzaakte helemaal niets voelt (behalve dat het apparaat niet meer werkt).

Als de hoeveelheid stroom die de elektrische installatie in gaat groter is dan de stroom die terug komt is er sprake van een lekstroom. Lekstroom treedt op als stroom via de aarding wegvloeit. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als de ommanteling (behuizing) van een toestel onverhoopt onder elektrische spanning komt te staan en iemand deze ommanteling aanraakt. Er zal een stroom vloeien door de persoon naar de aarde. Zodra de lekstroom een vastgestelde waarde overschrijdt schakelt de aardlekschakelaar af waardoor de elektrische installatie spanningsloos wordt.

In huisinstallaties zijn aardlekschakelaars voorgeschreven met een maximale aanspreekstroom van 30 mA. Deze aardlekschakelaars spreken aan beneden de waarde waarbij stroomdoorgang door het menselijk lichaam een levensgevaarlijke grens bereikt. Aardlekschakelaars van 500 mA (of 300 mA) werden vroeger toegepast bij ‘natte’ groepen (zoals de wasmachineaansluiting), maar in woningen mag tegenwoordig alleen nog 30 mA worden toegepast.

Het lijkt onlogisch en gevaarlijk om natte groepen te beveiligen met een aardlekschakelaar met een hogere grenswaarde dan 30 mA. De reden is dat er kleine lekstroompjes in bijvoorbeeld een wasmachine kunnen optreden door het neerslaan van vocht. Deze lekstroompjes zouden een 30 mA-aardlekschakelaar onbedoeld en onnodig in werking kunnen zetten. Het gebruik van een 30 mA-aardlekschakelaar is verplicht bij alle eindgroepen beveiligd met een overstroombeveiliging van ten hoogste 25 A. Dus ook bij wasmachines, drogers e.d. (Moderne toestellen hebben een dusdanige kleine lekstroom dat aardlekschakelaars van 30 mA probleemloos zijn te gebruiken).

Let wel: de aardlekschakelaar biedt geen enkele bescherming voor situaties waarin een persoon contact maakt met zowel de nul- als de fasedraad; alleen wanneer de stroom uit de fasedraad naar aarde weglekt, zal de schakelaar de stroom onderbreken.

Werking

Als I3 weglekt naar aarde, dan zijn I1 en I2 verschillend en gaat de schakelaar open

In een aardlekschakelaar zit een relais waarop zowel de fase als de nuldraad een wikkeling hebben. Deze twee wikkelingen zijn in dezelfde richting gewikkeld. Wanneer de stroom door de fasedraad en de nuldraad gelijk is, en uiteraard in tegenfase, zal de kern niet worden gemagnetiseerd en het aanspreek spoeltje niet trippen. Als ergens in de groep een lekstroom naar aarde loopt, worden de twee stromen ongelijk doordat de nulleider een lekstroom heeft naar aarde; de resulterende magnetisatie van de spoelkern trekt een palletje weg zodat de schakelaar door veerkracht afvalt. Na gebruik moet de schakelaar met de hand weer gesloten worden; dit kan alleen als de lekstroom op dat moment niet meer aanwezig is. (Vóór of achter een schakelaar wordt bepaald door de energierichtng).

Tevens is er een testknop aanwezig die kunstmatig een kleine lekstroom introduceert, waarmee periodiek de goede werking gecontroleerd kan worden. Wanneer een aardlekschakelaar wordt gecombineerd met een installatieautomaat spreekt men van een aardlekautomaat, kortweg alamat.

Door de opbouw met een spoel is de aardlekschakelaar zoals hier beschreven met name geschikt voor woningen; industriële componenten zoals een frequentieregelaar of netfilter kunnen de werking van dit type aardlekschakelaar beïnvloeden, waardoor de aardlekschakelaar te snel de stroom uitschakelt of zelfs nooit de stroom uitschakelt, ook niet bij een aardlek.

Nederland
De aanwezigheid van aardlekschakelaars in nieuwe en gewijzigde huisinstallaties is in Nederland volgens de NEN 1010 sinds 1975 verplicht. Ze worden veelal in de groepenkast opgenomen.

Tegenwoordig mogen de aardlekschakelaars van IΔn 500 mA (=0,50 A) niet meer worden gebruikt en alle aardlekschakelaars van het type AC zijn niet meer toegestaan.

In installaties na 1996 en sinds 1 september 2005 is het zelfs verplicht, om in woningen waarvan de bouwvergunning is afgegeven na deze datum, alle eindgroepen in de groepenkast verdeeld achter twee aardlekschakelaars van IΔn 30 mA te plaatsen (bij meer dan twee eindgroepen).

Ook bij het aanpassen van de groepenkast is men verplicht de nieuw te plaatsen eindgroep achter een aardlekschakelaar van maximaal IΔn 30 mA (=0,03 A) te plaatsen. Met andere woorden moet de volledige installatie dan worden aangepast en achter twee aardlekschakelaars van maximaal IΔn 30 mA worden geplaatst en dus ook de wasmachine. Echter, als de wasmachine/droger “vast” is aangesloten d.m.v. een dubbelpolige schakelaar behoeft deze niet achter een aardlekschakelaar te worden aangesloten. In huisinstallaties mogen maximaal 4 groepen worden aangesloten achter één aardlekschakelaar. Per 1 september 2005 is in Nederland overigens ook een hoofdschakelaar verplicht geworden. Dit geldt voor woningen waarvan de bouwvergunning na deze datum is afgegeven of ingrijpende aanpassingen worden gedaan aan de elektrische installatie of groepenkast.

België
De richtlijnen van het AREI moeten gevolgd worden. Dit houdt onder andere in dat er een algemene aardlekschakelaar van 300 mA aanwezig moet zijn en een van 30 mA voor vochtige ruimten of toestellen aanwezig in vochtige ruimten, zoals de badkamer. Ook (vaste) toestellen die waterdamp produceren, horen achter een 30 mA. Voorbeelden zijn centrale verwarming, ventilatie, wasmachine en droogkast.

Meten van aardlekschakelaars

Voor het meten van aardlekschakelaars op aanspreekstroom en aanspreektijd zijn er meetinstrumenten verkrijgbaar. Voorbeelden hiervan zijn:

Ook de volgende installatietesters beschikken over mogelijkheden om aardlekschakelaars te testen:

Klik op de LINK voor verdere informatie. Meer weten? Bel Meetwinkel.nl op 088-2450000 of mail via info@meetwinkel.nl

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Metenswaardigheden, NEN 1010 Installatietesters

Multimeter ABC

Het komt te vaak voor dat er te makkelijk een keuze gemaakt wordt voor een multimeter. Achteraf blijkt dan dat deze keuze te snel gemaakt is op basis van alleen de prijs, terwijl zaken zoals bandbreedte, veiligheidsklasse en nauwkeurigheid niet in de overweging meegenomen zijn.

In dit blogbericht besteden we kort aandacht aan enkele zaken die voor de keuze van belang zijn.

Aantal digits:
Hiermee wordt aangegeven met hoeveel cijfers een meetwaarde op de multimeter aangeduid kunnen worden.

Voorbeeld: Een multimeter met 4 1/2 digits heeft een aanwijzing van 12000 counts. Er kunnen 4 digits van 0 – 9 aangewezen worden en het 5e digit kan alleen een 1 zijn. Vanaf een waarde van 11999 (bijv. 11,999V) wordt automatisch naar een hoger meetbereik (100V) omgeschakeld.

Gemiddelde waarde aanwijzing:
Met een gemiddelde waarde meting worden de spanning en stroom alleen bij zuivere sinusvorm correct aangewezen. Tegenwoordig, met alle verbruikers die nogal wat verstoring veroorzaken is een zuivere sinusvorm op het net haast niet meer terug te vinden. De meetwaarde wordt compleet foutief weergegeven. Daarom is het van belang dat u een TRMS multimeter toepast.

Waar mag ik mijn multimeter inzetten?
Iedere multimeter dient een aanduiding te hebben (zowel in de handleiding als op het instrument zelf), waar de meter toegepast mag worden.
Hierop wordt vaak niet gelet. U dient hierbij rekening te houden met de maximaal toelaatbare spanningen (meetcategoriën), altijd aangeduid met “CAT”.
Er zijn 4 categoriën:

CAT I: Metingen die niet direct met net net verbonden zijn, zoals o.a. batterijen
CAT II: Metingen aan het laagspanningsnet, bijv. in een huishouden
CAT III: Metingen aan een onder verdeelinrichting zoals stationaire verbruikers, vaak vast met het net verbonden
CAT IV: Metingen die gedaan worden aan een inkomende voeding zoals o.a. de hooftverdeler

Nauwkeurigheid:
Als een mulimeter een gespecificeerde nauwkeurigheid heeft van bijv. +/- 0,2% v.MW +5D, dan is de hoogst mogelijke meetafwijking opgegeven.
Voorbeeld: Bij +/-1% onnauwkeurigheid kan de aangewezen waarde van 100V tussen 99,0 en 101,0V liggen. In een opgave van +/1%+2 Digits kan deze waarde tussen 98,8V en 101,2V liggen

TRMS en bandbreedte:
Net zo belangrijk als een TRMS multimeter is het begrip bandbreedte, waarschijnlijk ook de meest “vergeten” specificatie bij uw keuze.
Indien u een TRMS multimeter toepast met een te kleine bandbreedte (frequentiebereik) dan is de meting alsnog zinloos.

Als voorbeeld heeft u voor metingen aan een halogeen trafo een multimeter nodig die een grotere bandbreedte heeft dan 24 kHz.

Blijft een Multimeter nauwkeurig?
Vaak wordt de meetwaarde die op het display getoond wordt voor waarheid aangenomen. Toch is het zo dat onder invloed van temperatuurschommelingen en componentveroudering ieder meetinstrument na verloop van tijd gaat afwijken. Daarom is het van belang dat u uw instrument, bij regelmatig gebruik, jaarlijks laat kalibreren.

Voor multimeters gaat u natuurlijk naar: www.meetwinkel.nl 

Bron informatie: GMC Instruments Woerden

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Metenswaardigheden, MultiMeters

Focus op de Nieaf-Smitt EazyPAT 3140 plus

De EazyPAT 3140 plus is een nieuwe telg in de NEN 3140 apparatentester familie van Nieaf-Smitt.

De Nieaf-Smitt EazyPAT 3140PLUS is een simpel te bedienen maar vooral volledige tester voor  alle verplichte testen volgens NEN 3140. De EazyPAT 3140 plus kan namelijk ook de reeële lekstroom van driefasen apparatuur meten. Dat kunnen niet veel concurrerende merken zeggen.

De EazyPAT 3140 plus is geschikt voor

  • het testen van Klasse I apparatuur
  • het testen van Klasse II apparatuur
  • het testen van IEC kabel, verlengsnoeren en haspels
  • heten van aardlekschakelaars op aanspreektijd
  • Meten van 400 V machines op reële lekstroom (hiervoor is een optionele adapter vereist)
  • 250 V/ 500 V isolatieweerstand meting (dit is handig om microprocessoren niet te beschadigen tijdens het meten)
  • 230 V reële lekstroomtest
  • Controleren van wandcontactdoos

De grenswaarden van de NEN 3140-2011 zijn geprogrammeerd in de meter. Per meting wordt er een goed- dan wel afkeuring aangegeven waarbij er na de laatste meting een eindoordeel wordt gegeven. Er is de laatste jaren een enorme toename in het gebruik van gevoelige apparatuur te zien. Hier speelt de NEN 3140-2011 op in door toe te staan dat er naast de 500 V een 250 V isolatie-weerstandtest uitgevoerd mag worden.

Voor verdere informatie over de EazyPAT 3140 plus klikt u HIER of kunt u ons uiteraard bellen op: 088-2450000.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder NEN 3140 Apparatentesters

Uitbreiding cursusaanbod: Vakbekwaam Persoon NEN 3140

Ingenium Bedrijfsadvies breidt het cursusaanbod uit op het gebied van elektrische veiligheid. In het pakket hebben wij nu ook de eendaagse cursus Vakbekwaam Persoon NEN 3140.

Het doel van de cursus is om medewerkers op te leiden tot Vakbekwaam Persoon volgens de NEN 3140. 

De cursus is bedoeld voor iedereen die werkzaamheden aan elektrotechnische installaties verricht of door zijn of haar werkgever benoemd wil worden tot Vakbekwaam persoon NEN 3140.

De volgende onderwerpen worden onder andere behandeld:

Elektrotechnische gevaren en ongelukken

  • Elektrotechnische gevaren
  • Elektrocutie
  • Kortsluiting
  • Voorkomen van kortsluiting

Elektrotechnische bedrijfsvoering en wetgeving

  • Wetgeving en historie
  • Arbowetgeving
  • De NEN 3140

Veilig werken door deskundig personeel, procedures en PBM’s

  • Inleiding
  • Personeel
  • Periodieke instructie
  • Werk- en onderhoudsprocedures
  • Spanningsloos werken
  • Toestemming om met de werkzaamheden te mogen beginnen
  • Werken in de nabijheid van actieve delen

Werken met een werkvergunning en schakelbericht

  • Veiligheidsprocedures
  • Werkvergunningen en werkzaamheden aan laagspanningsinstallaties
  • Schakelbrief, schakelbericht of bijlage schakelhandleidingen
  • Het vervangen van een defecte wanddontactdoos
  • Werkzaamheden aan een verdeler

Voor de Ingenium cursus Vakbekwaam persoon NEN 3140 is een elektrotechnische vooropleiding vereist.

Cursusplaats
De cursus wordt in-company en op basis van open inschrijving verzorgd. Voor in-company bij u op locatie kunt u uiteraard contact met ons opnemen.

De open inschrijvingscursus wordt verzorgd in Almere.

De deelnemers ontvangen het SDU boek Vakbekwaam persoon NEN 3140. Voor informatie over dit boek klik HIER.

Zoekt u spanning? Schrijf u dan nu in op de Cursus Vakbekwaam Persoon NEN 3140 cursus van Ingenium Bedrijfsadvies B.V. Voor verdere informatie klikt u HIER.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder NEN 3140, Nieuwe producten, Training en opleiding

Must have voor de keurmeester NEN 3140 en NEN 1010 !

Een must have voor de keurmeester elektrische arbeidsmiddelen NEN 3140 keurmeester, de inspecteur elektrische installaties NEN 1010 of degene die met thermografische inspecties wil starten.

Het SDU boek Metingen en Thermografie! Uiteraard te verkrijgen via http://www.meetwinkel.nl

In dit praktijkboek wordt uitgelegd hoe en waarom metingen moeten plaatsvinden in of aan elektrische installaties. Er wordt ingegaan op verschillende soorten meetapparatuur, meetfouten en meetmethoden.

Bovendien wordt er bijzondere aandacht besteed aan de automatische uitschakeling van de voeding, een heel belangrijke bescherming tegenelektrische schok. Verder wordt het heel actuele onderwerp thermografieuitgebreid behandeld. Tot slot komen netvervuiling, de monitoring van dekwaliteit van de netspanning en de analyse van meetresultaten aan bod inverband met het net zo actuele thema power quality.

Dit boek is bedoeld voor elektrotechnisch installateurs, hoofden en medewerkers van technische diensten, docenten en studenten elektrotechniek en inspecteurs van elektrotechnische installaties.

Een greep uit de inhoud:

  • meten aan vaste installaties
  • meten aan verplaatsbare apparatuur
  • veiligheid meetapparatuur
  • meetfouten
  • meetmethoden
  • thermografie
  • power quality: monitoring en analyse
  • meten op basis van NEN 1010 en NEN 3140.

Verdere informatie over het boek is te vinden door HIER te klikken. Uiteraard kunt u ook contact met ons opnemen via info@meetwinkel.nl of 088-2450000.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Infrarood Camera's, Metenswaardigheden, Nieuwe producten

De Wet van Ohm

De wet van Ohm is een empirische natuurkundige wet, genoemd naar de Duitse natuurkundige Georg Ohm, die een relatie legt tussen spanning, weerstand en stroomsterkte. De wet van Ohm luidt als volgt:

De stroomsterkte door een geleider is recht evenredig met het potentiaalverschil tussen de uiteinden.

Het quotiënt van spanning en stroomsterkte is dus een constante. Deze constante wordt de weerstand van de geleider genoemd. In symbolische notatie:

U = I x R

waarin U de spanning of het potentiaalverschil, I de stroomsterkte en R de weerstand is. Wordt U uitgedrukt in V (volt) en I in A (ampère), dan is R in Ω (ohm) uitgedrukt. De wet van Ohm definieert in feite de materiaaleigenschap elektrisch geleidingsvermogen. De wet geldt voor vele materialen die geleiders worden genoemd. Als zodanig is de wet van Ohm ook anders te formuleren:

J = σ x E

met J de elektrische stroomdichtheid in A/m2 (ampère per vierkante meter), σ het elektrisch geleidingsvermogen in Ω−1m−1 (siemens per meter) en E de elektrische veldsterkte in V/m (volt per meter) Als de spanning niet constant is gaat de zelfinductie van de geleider een rol spelen, zie ook impedantie.

Bewegende geleider
In een met snelheid v bewegende geleider bepaalt niet alleen E maar ook het magnetische veld B de stroomdichtheid

J = σ (E + v x B)

De v x B term is de geïnduceerde stroom tgv. de Lorentzkracht op de ladingsdragers. In het met de geleider meebewegende coördinatenstelsel is v = 0 dus J = σE. Hoe kan dat? Omdat E en B velden niet absoluut maar relatief zijn, dwz. afhankelijk van het coördinatenstelsel. Uit de Lorentztransformatie volgt dat in het met de geleider meebewegende coördinatenstelsel het elektrische veld niet E maar E ‘ = E + vxB is.

Ohms en niet-ohms
Niet alle geleiders voldoen aan de wet van Ohm. Bij een diode of transistor, maar ook bij een gasontlading (bij hoge spanning) is de stroomsterkte van andere factoren afhankelijk. Dergelijke niet-ohmse geleiders hebben wel een weerstand (R = U/I) maar die is afhankelijk van de spanning.

De weerstand van een geleider is afhankelijk van de temperatuur, in de meeste materialen neemt de weerstand toe (het elektrisch geleidingsvermogen neemt af) bij toenemende temperatuur. Omdat een elektrische stroom warmte opwekt is een dunne geleider (b.v. een gloeidraad) niet ohms tenzij de temperatuur voldoende constant wordt gehouden (dat is het geval bij een keramische weerstand).

Isolatoren en halfgeleiders vertonen op zich ohms gedrag maar de contacten met deze materialen doen dat niet altijd. Zo is het contactvlak tussen een p-type en een n-type halfgeleider niet ohms, maar heeft het gelijkrichtende eigenschappen. Het laat stroom maar in één richting door.

In het geval van supergeleiders is er althans voor stromen van beperkte grootte geen weerstand. Hier is dus de weerstand nul.

Oorzaken
Ohms gedrag ontstaat in feite door wrijving, dat wil zeggen door botsingen van de ladingsdragers met ofwel andere ladingsdragers, ofwel fononen (roostertrillingen) ofwel onzuiverheden in het geleidend materiaal. Het elektrische veld dat de stroom op gang brengt, oefent een kracht uit die de ladingsdragers versnelt. Deze versnelling wordt echter in toenemende mate tegengewerkt door de wrijving, net zolang tot er een evenwicht ontstaat. Het resultaat is een constante stroom.

Bij metalen is er een overvloed aan ladingdragers, de Fermi-zee. Bij toenemende temperatuur neemt het aantal fononen toe en daarmee ook de weerstand.

Bij halfgeleiders neemt juist de geleiding toe bij hogere temperatuur. In deze materialen zijn er relatief weinig ladingsdragers, maar bij hogere temperaturen komen er meer bij. Dit komt doordat de thermische energie het mogelijk maakt elektronen vanuit de volle valentieband naar de lege geleidingsband te promoveren. Dit effect overschaduwt het fononeffect. Vaak geldt hetzelfde voor de aanwezigheid van licht. Ook dat kan tot promotie leiden en daarmee tot een verlaging van de weerstand omdat er meer ladingsdragers bij komen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Metenswaardigheden

Inspectiefrequentie elektrische installaties volgens NEN 3140

INSPECTIEFREQUENTIE

Het is uiteraard bekend dat elektrische installaties periodiek moeten worden geïnspecteerd conform de norm NEN 3140. Dit wordt enerzijds geëist vanuit het arbeidsomstandighedenbesluit, anderzijds kan dit ook zijn opgenomen in verzekeringsvoorwaarden. Hoe vaak dit u nu te (laten) inspecteren?

De inspectiefrequentie komt eveneens aan het bod tijdens de Ingenium Bedrijfsadvies cursus Inspectie elektrische installaties volgens NEN 3140 en NEN 1010.

De frequentie waarmee de elektrische installatie geïnspecteerd kan worden komt hier aan de orde.

Bepalen frequentie
De frequentie wordt bepaald aan de hand van zes factoren die in onderstaande tabel worden behandeld. Hierna kan in de grafiek de frequentie worden afgelezen. Deze methodiek is een normatieve bijlage (bijlage I, Het bepalen van de tijd tussen twee opeenvolgende inspecties van elektrische installaties) van de NEN 3140:2011.

De tijd tussen twee opeenvolgende inspecties van elektrische installaties wordt bepaald door:
A) de leeftijd van de installatie;
B) de kwaliteit van de installatie;
C) de omgevingsomstandigheden;
D) de personen die de installatie gebruiken
E) de mate van toezicht door een installatieverantwoordelijke;
F) de richtlijnen van de fabrikanten van het elektrisch materieel.

Factoren
Factor A: de leeftijd van de installatie

De installatie is:
A1 jonger dan 10 jaar. Gewicht: 0
A2 ouder dan 10 jaar. Gewicht: 5
A3 ouder dan 20 jaar. Gewicht: 8
A4 ouder dan 30 jaar. Gewicht: 10
Factor B: de kwaliteit van de installatie
De kwaliteit van de installatie, gelet op de veiligheid:

B1 is aanzienlijk beter dan de minimale kwaliteit zoals die is vastgesteld in de jongste elektrotechnische normen. Gewicht: 0
B2 voldoet aan de jongste elektrotechnische normen. Gewicht: 2
B3 voldoet aan de normen die bij aanleg van toepassing waren en aanvullende veiligheidsvoorzieningen zijn aangebracht. Gewicht: 4
B4 voldoet aan de normen die bij aanleg van toepassing waren. Gewicht: 7
B5 levert het vermoeden of geeft feitelijk aan dat de installatie niet aan normen voldoet, er zijn echter geen gevaarlijke situaties aanwezig. Gewicht: 15


Factor C: de omgevingsomstandigheden

C1 De omgeving waarin de installatie wordt gebruikt:
a) is schoon en droog,
b) bevat geen explosieve of corrosieve gassen,
c) levert geen brandgevaar ten gevolge van stof op en
d) is vrij van transportmiddelen of zware materialen. Gewicht: 0
C2 De omgeving waarin de installatie wordt gebruikt:
a) is niet schoon en droog of
b) bevat explosieve of corrosieve gassen of
c) levert brandgevaar ten gevolge van stof op of
d) houdt het gebruik van transportmiddelen of zware materialen in. Gewicht: 10
C3 De omgeving waarin de installatie wordt gebruikt:
a) kenmerkt zich als een zware industriële omgeving waarin voortdurend gevaar aanwezig is waardoor de veiligheid wordt aangetast door: 1) vocht, 2) brandbaar materiaal, 3) stof of corrosieve of explosieve gassen of dampen of stof of b) kenmerkt zich als een omgeving waar wordt gewerkt met transportmiddelen of zware materialen waardoor de installatie kan worden beschadigd. Gewicht: 20

Factor D: de personen die de installatie gebruiken

De installatie wordt uitsluitend gebruikt door:
D1 a) elektrotechnisch opgeleid personeel met ten minste een elektrotechnische vakopleiding in de energietechniek of b) personen die op grond van hun opleiding en ervaring zelfstandig kunnen beoordelen of zij zelf, of anderen, veilig werken. Gewicht: 0
D2 niet specifiek elektrotechnisch opgeleid personeel waarbij in de opleiding aandacht is besteed aan de gevaren die verbonden zijn aan het werken met elektriciteit. Gewicht: 3
D3 leken. Gewicht: 8
D4 leerlingen, cursisten, studenten, practicanten. Gewicht: 10
Factor E: de mate van toezicht door een installatieverantwoordelijke
De mate van toezicht op de installatie:

E1 er wordt regelmatig toezicht uitgeoefend door een installatieverantwoordelijke. Gewicht: 0
E2 er wordt sporadisch toezicht uitgeoefend door een installatieverantwoordelijke. Gewicht: 10

De frequentie kan nu bepaald worden aan de hand van onderstaande grafiek.

Bepalen inspectiefrequentie elektrische installatie NEN 3140

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Inspectie elektrische installaties, NEN 3140, Training en opleiding